Veranderen: een oud gesprek

Heraclitus en Parmenides gaan naar het marktplein
Het is een warme dag in Athene. We schrijven het jaar 492 voor Christus. De stoffige straten liggen te bakken in de zon. Heraclites kuiert richting agora en ziet in de verte Parmenides in de schaduw tegen een muurtje leunen terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd veegt. Met een lichte opgetogen versnelling in zijn pas herziet hij zijn koers richting zijn filosofische vriend.
H: “Gegroet Parmenides, ik zie dat je het zwaar hebt deze mooie zomerdag!”
P: “Ook jij gegroet Heraclitus. Inderdaad, maar dat heeft eigenlijk niet eens zo zeer met de warmte te maken, eerder met een zwaar denkproces dat ik recent tot een conclusie heb gevoerd.”
H: “Daarover later maar, jongen. Ik was op weg naar de agora voor een goed glas en een goed gesprek met nadruk op het eerste, en zo te horen kun je ten aanzien van het tweede wel goede diensten bewijzen. Dus ruk je los van deze harde ruwe muur waartegen je jezelf hebt opgesteld en wandel mee.”
P laat zich overhalen en samen leggen ze de laatste meters naar de agora af. Na het nuttigen van enige dranken en uitgebreid de wederwaardigheden van de atleten tijdens de laatste spelen te hebben besproken merkt Heraclitus dat Parmenides er met zijn kop niet echt bij is en besluit dan maar de hamvraag te stellen.
H: “OK, Parmenides, ik merk dat mijn verslagen van de spelen en het laatste bacchanaal waaraan ik heb deelgenomen je onvoldoende kunnen boeien. Vertel me nu dan maar welke die conclusies van dat zware denkproces waren.”
P: “Tsja. Kortweg komt het hier op neer, mijn beste Heraclitus. Ik denk dat ik overtuigend bewijs heb gevonden voor de vaststelling dat er geen verandering mogelijk is.”
Parmenides staart na deze woorden wat wazig in de verte. Heraclitus, niet meer helemaal scherp vanwege de zure wijn, nooit te beroerd om zijn altijd wat zwaar op de hand opererende collega te kijk te zetten vraagt met een onschuldige blik in zijn ogen door.
H: “Hoe kom je daar zo bij mijn beste P?”
P: “Welnu, Alles wat werkelijk is, is er altijd geweest en is dus niet ontstaan en bovendien …. niets komt voort uit het niets en denken en dat wat is zijn het zelfde, dus verandert er niets.”
(Opmerking: Een en ander geheel in lijn met de vroeg-filosofische traditie om door zuiver redeneren uitspraken over de werkelijkheid te doen)
P realiseert zich dat hij een beetje aan het rebbelen is en ziet alweer de sarcastische grappen aankomen waarmee H hem telkens weer op zijn nummer zet, maar ziet gelukkig als door een kosmische ingeving, een briljante uitweg en hij vervolgt:
P: “En overigens is de wereld vol, dus als een object van zijn plaats wil komen kan dat niet want op die andere plek bevindt zich al iets.”
(Opmerking: De Grieken hadden al ontdekt dat er lucht was, en de conclusie van Parmenides dat de wereld dus vol is, was zo gek nog niet)
H: “Nou, P, dat is allemaal heel leuk en aardig, maar je kent mijn standpunt in deze. Alles is in beweging. Dat heb ik je laatst al eens uitgelegd. En als dat nog niet voldoende overtuigend was. Ik zou zeggen…. Kijk om je heen. De hele wereld is in beweging.”
P, die nu echt in het nauw gedreven is: “Dat is slechts zinsbegoocheling!”
Uit de overlevering weten we dat Heraclitus zijn conclusies over beweging in de wereld (“alles stroomt”) formuleerde n.a.v. het observeren van een snel stromend water en zich realiseerde dat die stroom er altijd anders uitzag. De brille van de generalisatie daarvan naar de wereld mag niet worden onderschat. en de moderne fysica geeft Heraclitus vooralsnog volledig gelijk.
Overigens was de filosofie een bezigheid voor een aantal witte vrije mannen, die zich konden veroorloven een beetje door de stad te wandelen, op de agora te verzamelen voor een goed gesprek en regelmatig en frequent aan te liggen bij een orgie of bacchanaal. Het was bovendien van belang dat je mee kon zuipen en ook nog na het verwerken van vele glazen zure wijn op acceptabele wijze argumenten naar voren kon brengen. In deze opzichten is de filosofie slechts marginaal veranderd in de 21ste eeuw (er wordt wellicht alleen minder gedronken).
In ieder geval is zeker in organisatieland het gesprek over de aard en betekenis van verandering nog niet verstomd. Ik kan het niet helpen, maar ik voel toch de meeste sympathie voor Parmenides en zijn standpunt. En als tegenhanger voor de rivier van Heraclitus hiernaast een plaatje van de sloot achter mijn volkstuin. Wellicht heeft Heraclitus meer gelijk, maar iedere keer als ik na gedane arbeid plaatsneem aan de slootkant geeft hij me een vertrouwd gevoel. Iedere keer is ie een beetje veranderd (lelietje meer of minder), maar toch ook eigenlijk al jaren hetzelfde.

De sloot achter onze tuin